Advertentie
Het verplicht verwijderen van apparatuur van leveranciers die de EU als hoog risico aanmerkt, kan Europese telecomproviders volgens GSMA Intelligence tussen de 30 en 40 miljard euro kosten. De gevolgen beperken zich volgens de onderzoekers niet tot die eenmalige rekening. Minder concurrentie tussen netwerkleveranciers kan apparatuur duurder maken en operators minder vrijheid geven bij de inrichting van hun netwerken. Daarmee kunnen ook investeringen in 5G en later 6G onder druk komen te staan.
Van aanbeveling naar verplichting
De Europese Commissie presenteerde in januari een voorstel voor een herziene Cybersecurity Act. Daarmee wil Brussel onder meer de risico's in Europese ICT-toeleveringsketens verminderen. Onder het voorstel kunnen leveranciers uit niet-europese landen na een risicoanalyse worden aangemerkt als leverancier met een hoog risico. Voor kritieke onderdelen van 5G-netwerken voorziet het voorstel in een uitfasering binnen drie jaar.
De regelgeving is nog niet definitief. Het voorstel moet worden behandeld door het Europees Parlement en de Raad van de EU. De Commissie spreekt bovendien niet simpelweg over een verbod op Chinese apparatuur, maar over een geharmoniseerd en risicogebaseerd kader voor leveranciers uit derde landen.
In de praktijk zijn vooral Huawei en ZTE het doelwit. De Europese Commissie concludeerde al in 2023 dat beide Chinese fabrikanten volgens de criteria van de Europese 5G-toolbox een materieel hoger risico vormen dan andere 5G-leveranciers. Verschillende lidstaten hebben het gebruik van apparatuur van deze fabrikanten sindsdien al beperkt.
Het volledig verbieden van het gebruik van zogenaamde risico-apparatuur heeft zeker voor Nederland grote gevolgen. In Nederland zijn onder andere KPN, Odido en ODF belangrijke gebruikers van Huawei. Tegelijkertijd zie je ook dat Nederland aan de top staat op gebied van mobiele netwerkprestaties. Dus de Europese beleidskeuze heeft voor Nederland grote financiële gevolgen en zou de prestaties kunnen drukken.
Tot 40 miljard euro aan vervangingen
GSMA Intelligence onderzocht wat een verplichte uitfasering financieel zou betekenen. De analyse is gebaseerd op gegevens van zeven Europese telecomgroepen, die samen bijna de helft van de markt vertegenwoordigen. De studie werd door zeven operatorgroepen gefinancierd. De belangenorganisatie komt uit op totale vervangingskosten van €30 tot €40 miljard.
Het grootste deel daarvan zit in mobiele infrastructuur. Het vervangen van apparatuur in mobiele netwerken zou tussen de €16 en €22 miljard kosten, omgerekend ongeveer 30 tot 42 euro per mobiele aansluiting.
Voor vaste netwerken schat GSMA Intelligence de kosten op maximaal 5 miljard euro. Voor transportnetwerken, waaronder optische switches, multiplexers en versterkers, komt daar nog eens €9 tot €12 miljard bij.
Bij een conservatievere schatting van €35 miljard totale kosten, zou ongeveer 19 miljard naar mobiele infrastructuur gaan, 5 miljard naar vaste netwerken en 11 miljard naar transportinfrastructuur.
Minder leveranciers kan apparatuur duurder maken
De directe vervangingskosten vormen volgens de studie maar een deel van het probleem. Het uitsluiten van grote leveranciers verkleint ook de markt waaruit Europese operators kunnen kiezen.
GSMA Intelligence schat dat mobiele netwerkapparatuur daardoor tot 24 procent duurder kan worden. Bij apparatuur voor vaste netwerken zou de prijsstijging tot 19 procent kunnen bedragen en voor transportnetwerken ongeveer 10 procent. Op basis van de verwachte investeringen tussen 2027 en 2030 zou dat operators nog eens ongeveer €8,5 miljard kunnen kosten.
Dat effect is relevant omdat telecomnetwerken niet uit onderling uitwisselbare componenten bestaan. Een kleinere leveranciersmarkt beperkt daardoor niet alleen de prijsconcurrentie, maar ook de mogelijkheid om per netwerk en toepassing de technisch of economisch meest geschikte oplossing te kiezen.
Daar staat het veiligheidsargument tegenover. De Commissie wil juist voorkomen dat kritieke Europese infrastructuur afhankelijk blijft van leveranciers waaraan niet-technische risico's worden toegeschreven, zoals mogelijke buitenlandse inmenging. Het Europese beleid zet daarom tegelijkertijd in op meerdere leveranciers en het verminderen van afhankelijkheid van risicoleveranciers.
Hier zit de crux van het verhaal. Zogenaamde leveranciersdiversificatie moet de weerbaarheid vergroten, maar het volledig uitsluiten van grote spelers kan de daadwerkelijke keuze voor operators juist verkleinen.
Investeringen komen boven op bestaande achterstand
Die extra rekening komt bovendien op een moment waarop Europese telecomoperators volgens GSMA Intelligence al met een aanzienlijke investeringsopgave kampen. De organisatie berekende eerder dit jaar dat ongeveer €475 miljard aan mobiele netwerkinvesteringen nodig is om Europa de komende tien jaar richting het niveau van internationaal leidende markten te brengen. Daarvan zou ongeveer €270 miljard binnen de bestaande investeringscyclus beschikbaar zijn, waardoor volgens de GSMA een gat van circa €205 miljard resteert.
Europa loopt ondertussen vooral bij 5G Standalone achter. Volgens GSMA Intelligence bereikt 5G SA ongeveer 2 procent van de Europese bevolking, tegenover circa 80 procent in Greater China en bijna 50 procent in India. Bij 5G SA draait niet alleen het radionetwerk op 5G, maar ook de achterliggende core. Dat maakt functies als network slicing en andere geavanceerdere 5G-diensten mogelijk.
Verplichte vervanging van bestaande apparatuur concurreert binnen de investeringsbudgetten van operators met dergelijke netwerkmodernisering. Telecombedrijven kunnen de extra kosten uiteindelijk op verschillende manieren opvangen: door hogere prijzen, lagere marges of door geplande investeringen uit te stellen. GSMA Intelligence waarschuwt expliciet voor minder investeringen in netwerkupgrades en stelt dat een tragere of duurdere uitrol van 5G en 6G de Europese digitale doelstellingen kan bemoeilijken.
6G maakt timing extra gevoelig
Daarmee raakt de discussie ook aan 6G. De impact daarvan is moeilijk exact te kwantificeren, omdat commerciële 6G-netwerken nog niet bestaan en de uiteindelijke investeringscyclus nog moet beginnen. De Europese regelgeving kan de introductie van 6G vertragen.
Telecomoperators moeten de komende jaren hun 5G-netwerken verder moderniseren en zich daarna op een nieuwe generatie mobiele technologie voorbereiden. Geld dat verplicht in vervanging van nog functionerende infrastructuur wordt gestoken, kan niet tegelijkertijd aan nieuwe capaciteit of technologie worden besteed.
Daar komt de beperking van de leveranciersmarkt bij. Operators verliezen bij een uitsluiting niet alleen bestaande apparatuur, maar mogelijk ook leveranciers die anders hadden kunnen meedingen naar toekomstige netwerkcontracten. Dat kan vooral richting 6G relevant worden als de markt voor radio- en transportapparatuur verder geconcentreerd raakt.
De kern van de discussie is daarmee breder dan de rekening van maximaal €40 miljard. Europa probeert met de nieuwe regels een reëel veiligheids- en afhankelijkheidsrisico te verkleinen, maar kan tegelijkertijd de concurrentie tussen leveranciers verminderen en investeringskapitaal vastleggen in vervanging in plaats van vernieuwing.
Juist voor een Europa, dat zijn 5G-investeringen nog niet heeft afgerond, is dat een moeilijke kwestie. De vraag voor Europese beleidsmakers is daarom niet alleen hoeveel extra veiligheid het uitsluiten van risicoleveranciers oplevert, maar ook hoeveel minder keuze, concurrentie en toekomstige netwerkcapaciteit Europa bereid is daarvoor te accepteren. De rekening van de vernieuwingen en investeringen is fors, en de nieuwe cybersecurity act zal deze sowieso fors doen oplopen.